EIGEN BEHEER, 2018

In België lijkt het te wemelen van de jonge musici die zo hun eigen kijk op jazz en aanverwante stijlen hebben en daarmee op fraaie wijze hun eigen muziek creëren. Het gaat ook op voor Donder, een trio dat twee jaar geleden al een proeve van bekwaamheid aflegde met debuutalbum Still, een plaat waarop het pianotrio in Bohren & der Club of Gore-slakkengang minimale, verstilde jazzmuziek maakt met veel ruimte. Ook wat tussen de noten gebeurt is belangrijk.

Donder bestaat uit Harrison Steingueldoir (piano), Stan Callewaert (contrabas) en Casper van de Velde (drums). Voor het tweede, titelloze album toog het drietal naar Denemarken om samen te werken met de Deense klarinettist/saxofonist Lars Greve. Hij is onder meer bekend van Girls in Airports en ook is hij te horen op de laatste twee platen van Mads la Cour’s Almugi. Bassist Callewaert hoorde Greve spelen in de Koncertkirken van Nørrebro in Kopenhagen en dat heeft ertoe geleid dat de tweede van Donder in die kerk is opgenomen.

Zo’n kerk heeft uiteraard een aparte akoestiek en het is duidelijk te horen dat Donder niet in een studio maar in een grotere en natuurlijker ruimte is opgenomen. Waar op het debuut elke klank van de instrumenten nauwkeurig lijkt te zijn vastgelegd (elk instrument is kraakhelder hoorbaar), gaat het nu als kwartet opererende gezelschap minder voor de losse instrumenten en meer voor de totale maar nog steeds onopgesmukte sound. De jazz is nog steeds aanwezig, maar op minder prominente wijze. Donder bivakkeert op de rand van de jazz en…

Ja, wat eigenlijk? En doet het ertoe? Het zal de vier heren waarschijnlijk worst wezen uit welke hoek de muziek komt; het gaat erom dat de gezamenlijke intentie en de interactie tussen de muzikanten optimaal tot zijn recht komt. En dat gebeurt op dit tweede album, waarop de verstilde aanpak intact blijft maar de invulling volledig anders is. Die is meer gericht op experiment, op sfeer en op spanning dan op het debuut het geval was. Door de inbreng van rietblazer Greve verandert ook de klankkleur van het gezelschap.

Ten opzichte van het debuut wordt misschien iets aan toegankelijkheid ingeleverd, maar wordt aan spanning gewonnen. Dat komt het sterkst tot uitdrukking aan het begin en aan het eind van het album. ‘Lichaamloos’ (rake titel, trouwens) opent met onconventionele percussieve klanken, soms nauwelijks als komend van de instrumenten te herkennen. Met wat moeite valt het slaan van de strijkstok op de snaren van de bas waar te nemen en het blazen van lucht door een rietinstrument. Het stuk krijgt langzaam vorm als de piano, sober spelend, zijn intrede doet. De brushes die over de snare gaan doen even vermoeden dat conventioneler terrein wordt opgezocht, maar de pruttelende saxklanken, piepende geluiden (cimbalen?) en ruisende klanken (saxofoon?) maken die verwachting illusoir. Donder zet vol in op het experiment en doet dat met verve.

Hetzelfde geldt voor het afsluitende ‘Nachtzwemmen’, waarin de pianomelodie wordt omringd door sputterende en ruisende klanken van een rietinstrument, een tikkende strijkstok en percussieklanken. Langzaam krijgt het stuk meer vorm en is er meer ademruimte, vooral als de ontregelende ruis van Greve is verdwenen. Die is echter niet van plan de deugdzaamheid te laten regeren en hij keert terug om zijn inbreng op nog dwingender wijze naar voren te brengen. Het spanningsveld dat wordt gecreëerd is gigantisch.

Dat het kwartet ook lieflijker uit de hoek kan komen, wordt bewezen met ‘Óskar’, dat gebouwd is rond een lyrische klarinetmelodie. Donder bewees op Still al met het nodige geduld te kunnen musiceren en dat blijkt ook hier, al voegen Steingueldoir, Callewaert en vooral ook Van de Velde de nodige beweging toe aan de rustige melodie van Greve. Ook ‘Mirror’ lijkt zich te begeven op het terrein van verstilde pracht, met een somber getoonzette melodie van de piano, totdat bas en drums zich ermee gaan bemoeien. Vanaf dat moment is het gedaan met de rust en neemt suspense de overhand. Het is een stuk in triobezetting, zonder Greve.

Die wel verantwoordelijk is voor de schitterende klarinetklank aan het begin van ‘Someone To Make Breakfast For’. Hij lijkt wel op zijn instrument te zuigen, terwijl hij toch ook echt klank produceert, of beter gezegd: klanken, want hij bespeelt twee klarinetten tegelijk. Mooi is ook het ontregelende basspel van Callewaert. Schuivende geluiden van de drums vormen de ondergrond in ‘Vinterlys’, weer een triostuk. De pianomelodie is traag, sober en somber, terwijl de bas strijkend de passende begeleiding neerlegt of licht ontregelend te werk gaat door hogere regionen op te zoeken. Van de Velde verlaat de schuivende rol en verrijkt de muziek met meer percussief spel.

Opvallend luid en levendig is het korte ‘Secrets’, waarin rollend drumspel, donkere basklanken en een scherpe sax te horen zijn. Het vormt de opmaat voor ‘When The Sea Is Empty’, waarin de basklarinet aanvankelijk een drone neerlegt waaromheen de andere muzikanten hun muzikale experimenten uitvoeren. Na zo’n tweeënhalve minuut krijgt het stuk meer vorm door een repeterend pianomotief. Gaandeweg verliest het stuk aan beweging, uitgezonderd de piano die het stuk vrijwel solo en op sobere wijze uitluidt.

Op de tweede van Donder wordt het experiment in het zonlicht gezet, terwijl de muzikanten tegelijkertijd oog blijven houden voor de totaalklank. Het levert een uitgebalanceerd maar speels album op dat de tand des tijds moeiteloos zal kunnen doorstaan. Dit is namelijk op zichzelf staande, tijdloze muziek. Schitterende plaat.